Home is where you make it
mei 25, 2008
Ik zat op de verwarming, mijn handen op mijn knieën, ik probeerde niet te huilen. De woorden in m’n hoofd, ik kreeg ze niet over mijn lippen maar ze leken te ontsnappen langs m’n ogen. Ijdelheid kwam de kamer binnen. We praatten over hoe schandalig makkelijk het was geweest de deur van dit lege huis in te breken. Ik hoorde iets de trappenhal doorgalmen. Escapisme. Huilde ze of was ze aan het lachen? Ik besloot te gaan kijken en bevond me net in de trappenhal toen Escapismes vriendje de trap afgestormd kwam met zijn handen over zijn mond. “Thursday! Waar is Thursday?!”. Ik schrok en liep snel de trap op. Ik hoorde hem iets roepen naar Ijdelheid, keek achteruit en zag hoe hij zijn vuisten tegen de muur plantte. Het oranje straatlicht viel door het raam van het piepkleine kamertje binnen en wierp een lange schaduw op de vloer. Ze lag met haar hoofd tegen de ene muur en haar voeten raakte de andere. Haar ademhaling was kort, hevig en opgejaagd. Ik nam haar in m’n armen en zei dat ze moest kalmeren. Dit was al meer dan een jaar geleden, dit was voorbij, dachten we. Ze begon te stampen, haar adem nog sneller en korter. Wat kon ik hier in godsnaam aan doen? “Ik krijg geen lucht! Ik krijg geen lucht!!” Ze zette zich recht en stootte haar hoofd tegen het raam.
Achter me stonden Ijdelheid met Escapismes vriendje. Hij nam haar in zijn armen en zei hoe ze moest ademen. Haar ademhaling galmde door heel het huis. Ik liep de trap af, vanaf hier leek het alsof er een dier gewelddadig geslacht werd. Naar buiten. Daar stond Hij, te telefoneren, ik liep op hem af en nam hem vast. “Wat is er?”. Ik kon niets zeggen, ik voelde dat mijn stem zou verspringen. Ik liep terug naar binnen. Ik hoorde hem aan de telefoon zeggen: “Dit is niet goed…”. Ik verwachtte dat hij wel naar binnen zou komen nu, hij stond al lang genoeg buiten. Ik stond boven, ze stond recht. Ze riep me, ik nam haar vast. “Ik wil zelfmoord plegen” jammerde ze. “Nee..”. “Jawel, ik wil echt zelfmoord plegen”. Ik voelde me zo ongelooflijk machteloos en de wanhoop sloeg toe. De tranen liepen over mijn wangen, ik liet haar los. Ondertussen stond Hij toch boven. Ik liep naar een andere kamer, ging op de grond zitten en hoopte dat hij mij zou vinden. Toen ik besefte dat hij er geen flauw benul had van het feit dat ik hier zat ging ik terug. Ik trilde helemaal, hij nam mij vast. “We gaan naar buiten…”. Ik smeet me op m’n knieën om onder de rolluik door te kruipen. Ik kroop verder en zette me tegen de eerstvolgende muur. Hij troostte me op zijn eigen apathische manier. Ijdelheid kwam naar buiten. “Escapisme gaat neer”. Hoe? Ze viel flauw. Ik kroop naar binnen, hoorde de jongen tegen haar gezicht kletsen om haar wakker te houden. Ze moest beslist haar medicatie hebben. Waar waren die? In haar tas? Bij haar thuis? In haar auto. In haar auto?! Over de poort, door de bossen, in de auto, door de bossen over de poort. Ze zaten in de gigantische tuin, zij zat naast hem, hij lag naar de donkere lucht te staren. De avond was voorbij.
Tantaluskwelling
mei 19, 2008
Ik ben u beu, zo kotsbeu dat ik er van zou kotsen als ik kotsen kon. Dat is één van mijn mutaties, ik kan dat niet, kotsen. U kotsbeu zijn, dat kan ik wel. Voor zo’n uur of tien. Ja, da’s best veel. Maar mijn broederken zou zeggen: “wat zijn nu tien uur in een mensenleven”. Bijster weinig broederken, bijster weinig.
En, en, na zo’n uur of tien he, zijt ge daar weer he, dan zijt ge daar weer… Gij met uw innemendheid. Niemand is zo innemend als gij. Constant zijt ge er, in m’n hoofd, in m’n handen, over m’n lippen. Als het niet zo ongelooflijk melig en een beetje vies klonk zei ik ‘in mijn hart’. Maar dat lijkt me geen aangename plaats om te zijn, alléja, met al dat bloed enzo. Ge zijt altijd in m’n buurt. Maar ik kan u niet vastpakken. Het is alsof ge een fata morgana zijt (de VRT heeft dat woord trouwens serieus verkloot voor de rest van de wereld) en ge oplost in een glas vodka als ik u wil vastpakken. Ik voel uw warmte aan mijn uitgerokken vingertoppen, mochten uw haartjes rechtop staan zou ik ze voelen.
Ge zijt mijn tantaluskwelling. En ik ga aan u ten onder.
Ergens in een donker hoekje had ik altijd gewenst dat het eens zou gebeuren. Wist ik veel dat hij er ook zo over dacht? “Ik ga je missen” Ik u ook, ongelooflijk hard. Ge zult voor de rest van de dag in m’n hoofd rondspoken. Maar dat kon ik hem natuurlijk niet zeggen, de woorden bleven steken ergens tussen mijn maag en mijn tong.
Het was fantastisch: de flauwekul, het gras, de wijn, de clichés van de voorgaande avond. De warmte van de voorbije dag bleef sluimeren tot rond middernacht. Ik nam een pauze van al de dronkenmanspraat, tegen hem aangedrukt. Toch maar naar binnen, hoe gaan we nu slapen? ‘Slaap jij maar naast mij’ dacht ik, maar toen bleven m’n woorden voor het eerst vastzitten. Na een paar uur lag hij naast mij, op 20cm van elkaar. Niet aanraken. Dat mag niet. Armen te veel en plaats te weinig.
Ik voel zijn aanwezigheid, ik voel dat zijn gezicht vlakbij het mijne ligt. Als ik praat raakt mijn lip het metaal rond zijn lip, naar achter, weg. “Als ge iets echt wilt houdt ge geen rekening met al die zever…” had hij het nu over mij? Was hij hypothetisch? “Is dat zo?” “Ja, maar soms spreekt uw hoofd wel tegen… Maarja” Weg ermee! Weg met dat verstand!
“Ik word terughoudend als ik moe ben” voelde ik hem wat later zeggen. Zijn lippen op enkele milimeters van de mijne verwijderd. Dit is ondraaglijk, nog even en ik spat uiteen.
Zijn lippen op de mijne. “Oei oei” zei ik, instinctief.
Weer zijn lippen. Mijn woorden zaten vast, ik had geen woorden meer.
“Ik ga je missen.” Blijf dan bij mij? Alsjeblief? “Thursday, gij weet van niets he” Nee, ik weet niets. Ik hou het wel voor mezelf, ik doe alsof het nooit gebeurd is en verstik dan in alle woorden die blijven steken.