Tantaluskwelling
mei 19, 2008
Ik ben u beu, zo kotsbeu dat ik er van zou kotsen als ik kotsen kon. Dat is één van mijn mutaties, ik kan dat niet, kotsen. U kotsbeu zijn, dat kan ik wel. Voor zo’n uur of tien. Ja, da’s best veel. Maar mijn broederken zou zeggen: “wat zijn nu tien uur in een mensenleven”. Bijster weinig broederken, bijster weinig.
En, en, na zo’n uur of tien he, zijt ge daar weer he, dan zijt ge daar weer… Gij met uw innemendheid. Niemand is zo innemend als gij. Constant zijt ge er, in m’n hoofd, in m’n handen, over m’n lippen. Als het niet zo ongelooflijk melig en een beetje vies klonk zei ik ‘in mijn hart’. Maar dat lijkt me geen aangename plaats om te zijn, alléja, met al dat bloed enzo. Ge zijt altijd in m’n buurt. Maar ik kan u niet vastpakken. Het is alsof ge een fata morgana zijt (de VRT heeft dat woord trouwens serieus verkloot voor de rest van de wereld) en ge oplost in een glas vodka als ik u wil vastpakken. Ik voel uw warmte aan mijn uitgerokken vingertoppen, mochten uw haartjes rechtop staan zou ik ze voelen.
Ge zijt mijn tantaluskwelling. En ik ga aan u ten onder.
Ik kan ‘m ineenslaan.
Als ge wilt.
*kijkt een beetje bedenkelijk doch schattig*